woensdag 16 april 2014

Hoe ik per ongeluk met behulp van het Opperlands een notoire zuiper van zijn drankzucht genas

Lang, heel lang geleden, toen mijn huis vooral diende als opslag voor spullen die ik niet steeds met me mee kon dragen naar het café, heb ik eens onopzettelijk iemand van zijn drankzucht genezen met behulp van het Opperlands, de taal van Battus die niet gespeld maar gespeeld wordt.

In de groezelige grot die wij toen, verblind door onze jeugdigheid, vrij massaal aanzagen voor een gezellige huiskamer met tapkraan, hing er dagelijks eentje rond die tegen acht uur in de avond strijk en zet van zijn barkruk donderde om niet meer uit eigen beweging op te staan. Een klein ventje met lodderige ogen, zweetpareltjes op z’n voorhoofd en eeuwige sneeuw op zijn tengere schouders, die je soms met wolkjes tegelijk vanuit z’n haar aangevuld zag worden.

Wat ik verder van ‘m wist is dat z’n studie natuurkunde vlak voor de eindstreep was gestrand, dat hij gefascineerd was door computers en dat hij er zelfs een hád: een Commodore 64, waarop hij in BASIC programmeerde. Het was eigenlijk verstandiger daar niet met ‘m over te spreken, want hij was uitermate lang van stof en gewoonlijk nauwelijks te verstaan. En bovendien: wat wisten wij van computers, laat staan van BASIC?

Op een dag struikelde hij langs de tafel waar ik zat, terug van de WC, en zag mijn exemplaar van Opperlandse Taal- & Letterkunde liggen. Ik legde hem er wat over uit en liet hem een pagina zien met anagrammen. Het interesseerde hem wel en na een tijdje merkte hij op dat hij met gemak een programmaatje kon maken om anagrammen te genereren. Ik keek hem spottend aan en dat vatte hij op als een uitdaging én een belediging. Woest gebarend liep hij weg en met het schuim op de mond beet hij me toe: “Wacht, wacht jij maar eens!”

Zeker drie weken verstreken. Het meubelstuk iets links aan de bar, waar hij altijd zat, werd langzaamaan iemand anders’ meubelstuk. Tot ik op een middag aan de leestafel zat, verdiept in een blaadje, en er een vuistdik pakket kettingpapier voor m’n neus werd gesmeten. “Kijk!, Zie je wel?” Ik stond perplex. Hij was begonnen met de vijf letters uit het woord 'jezus' en het kettingpapier liet inderdaad alle mogelijk te maken combinaties van die vijf zien. Daarna was hij gaan doorbouwen met een achtletterwoord – 'klootzak' – en daarmee was het bewijs wat hem betreft wel geleverd.

In het café heb ik hem daarna nooit meer gezien. Wel nog eens jaren later op televisie, in een wetenschapsprogramma, waar hij in heldere bewoordingen iets mocht uitleggen waarvan ik helaas niks begreep. Hij droeg een net jasje, zonder sneeuw.

Geen opmerkingen: